MEDISCHE GEGEVENS VAN DE EZEL

  1. Parameterlijst biologie / Physiologie / Hematotolgie

    Spijtig genoeg vond ik onderstaande tabel enkel in het Frans.

    Ze is enkel bedoeld voor uw veearts. Indien u om één of andere reden een bloedonderzoek moet laten verichten, en uw veearts beschikt niet over de juiste waarden van de ezel, kan kan deze onderstaande lijst zeer nuttig zijn.

    Ze is vooral bedoeld om het onderscheid met paarden duidelijk te maken. De meeste veeartsen hebben nogal de neiging de criteria van paarden te gebruiken (bij gebrek aan de juiste gegevens van de ezel). Verder is er natuurlijk een onderscheid tussen de volwassen ezel en het veulen. Mocht u op onderstaande lijst reactie krijgen van uw veearts (positief of negatief of vertaling) laat het mij dan weten.

    Wat u als leek wel kunt gebruiken zijn de gegevens ivm de temperatuur (wat u zeer gemakkelijk zelf kunt nemen), de pols en de ademhaling.

       

    Gemiddelde

    Waarden

    95 %

    5 %

    Temperatuur

    Ezel

    Paard

    Ezelsveulen

    37.1

    37.8

    37.6

    37.8

    38.9

    36.2

    36.6

    Polsslag/minuut

    Ezel

    Paard

    Ezelsveulen

    44

    36 à 45

    60

    68

    80

    36

    44

    In- en Uitademhaling

    Per minuut

    Ezel

    Paard

    Ezelsveulen

    20

    10 à 14

    28

    44

    48

    12

    16

    Créatinine micromol/l

    Ezel

    Paard

    Ezelsveulen

    75

    134

    83

    141

    107

    53

    61

       

    Gemiddelde

    Waarden

    95 %

    5 %

    Créatine phosphokinase

    C.P.K. UI/L

    Ezel

    Paard

    40

    0 – 168 (range)

    149

    15

    Biliburine totale

    Micromole/l

    Ezel

    Paard

    2.7

    10.3 à 20.5

    7.7

    1.4

    Urée mmol/L

    Ezel

    3.9

    7.6

    1.9

    Triglucéride 5 mmol/l

    Ezel

    Ezelsveulen

    1

    0.7

    4.3

    2.0

    0.2

    0.2

    Protéines totales g/l

    Ezel

    Ezelsveulen

    70

    64

    82

    78

    58

    53

    Albumine g/l

    Ezel

    28

    34

    20

    Protide 5 gl/l

    Ezel

    Ezelsveulen

    40

    34

    53

    50

    29

    23

    Gamma GT/UI/L

    Ezel

    17

    49

    8

    Glutarnate

    Deshydrogenase

    UI/L : ASGPT

    Ezel

    Paard

    Ezelsveulen

    1.6

    3.8 +/ - 3.4

    1.2

    8

    3.9

    0.4

    0.4

    Aspartate Amino

    Transferase UI/L SGOT

    Ezel

    109

    199

    59

    Phosphatase Alcaline

    UI/L

    Ezel

    265

    563

    150

             

    Hematologie

       

    Gemiddelde

    Waarden

    95 %

    5 %

    Hématocrite %

    Ezel

    Paard

    Ezelsveulen

    33

    40 +/ -5.5

    34

    38

    43

     

    27

    Hémoglobne g/dl

    (* gramme)

    Ezel

    Paard

    11.6

    15 à 29.2

    15.3

    9

    Neutrophilis

    10 * 9/l

    Ezel

    5.0

    13.3

    2.2

    Lymphocytes %

    Ezel

    43

    65

    17

    Comptage des

    Lymphocytes

    10 * 9/l

    Ezel

    Ezelsveulen

    4.2

    6.2

    7.8

    14.8

    1.8

    2.5

    Eosinophiles %

    Ezel

    4

    10

    1

    Comptage des

    Eosinophiles

    10 * 9/l

    Ezel

    Ezelsveulen

    0.38

    0.30

    1.15

    1.63

    0.09

    0

    Basohiles %

    Ezel

    0

    0.08

    0

    Comptage des basophiles 10 * 9/l

    Ezel

    0

    0.5

    0

    Monocytes %

    Ezel

    1

    5

    0

    Comptage des monocytes 10 * 9/l

    Ezel

    0.13

    0.80

    0

    Globules blancs

    10 * 9/l

    Ezel

    Ezelsveulen

    10.2

    13.5

    16.1

    21.9

    6.1

    7.8

    Globules rouges

    1à * 12/l

    Ezel

    Paard

    5.5

    8.12

    7.3

    4

             
       

    Gemiddelde

    Waarden

    95 %

    5 %

    Volumes moyen des globules en micron3 UVGM

    Ezel

    Paard

    64

    36 + /- 5

    79

    57

    Teneur corpusculaire moyene en hémoglobine

    Ezel

    Paard

    21.9

    12.1 / - 2.2

    28.6

    18.9

    Moyene de la concentration globulaire en hémoglobine

    Ezel

    Ezelsveulen

    34.0

    35

    39.1

    54.0

    31.4

    25.3

             
             

    Deze gegevens mogen als zeer betrouwbaar en wetenschappelijk aanzien worden, ze worden immers aangegeven door het onderzoekslaberatorium van de

    DONKEY SANCTUARY (Devon – Engeland)

     

  2. Het Geslachtsapparaat van de ezel

    Bron : Diergeneeskundig Memorandum : Jaargang nr 4 December 1992

    Gezamelijke uitgave van : Duphar Animal Health, Janssens Pharmaceutica en Mycofarm

    V.U. België : De heer V. Wouters, Ponsstraat 22, 9800 DEINZE

    Dit tijdschrift ontvangt iedere veearts gratis, misschien heeft uw veearts het nog wel liggen. Heeft uw veearts weinig of geen ervaring, dan kan u hem deze tekstjes bezorgen. In elk geval zal uw veearts door zijn ervaring steeds beter geplaats zijn om in te grijpen bij problemen, dan uzelf, doe dus steeds een beroep op uw veearts in geval van problemen.

    Tot nu toe zijn ons weinig problemen gekend van ziekten bij geboortes, als u het onderstaande leest, moet u niet in paniek slaan. Normaal verloopt bij onze ezeltjes alles zonder problemen, toch is hetgeen wat volgt nuttig, mochten er zich toch problemen voordoen.

    En zoals steeds luidt ons advies : bij problemen moet u steeds een veearts raadplegen, enkel hij kan op een gepaste wijze helpen.

    Deze uitreksels kunnen ook een bijkomende hulp zijn voor uw veearts, u kan ze hem steeds voorleggen.

    1. HET VROUWELIJK DIER :

      Problemen met de hengstigheid :

      Het niet optreden van de oestrus kan verschillende oorzaken hebben :

      - Dracht : gedurende de dracht vinden er geen ovulaties plaats.

      - Anoestrus : tijdens de wintermaanden is er een periode van ovariële inactiviteit. Ool kunnen de ovariën door een slechte algemene lichamelijke conditie inactief worden.

      - Lactatie : tijdens de lactatie is er geen ovariële activiteit. Eventueel zou de ezelin hiervoor hormonaal kunnen worden behandeld. Zij komt echter op natuurlijke wijze weer in oestrus na het spenen van het veulen (op een leeftijd van 6 tot 8 maanden). In de "Donkey Sanctuary" heeft men de ervaring dat deze periode van ovariële inactiviteit slechts een maand duurt.

      - Stille bronst : de ezelin heeft geen afwijkende cyclus, zij toont echter geen oestrussymptomen. Dit gebeurt nogal eens bij de ezelin die sterke moederinstincten heeft.

      - Presisterend corpus luteum (cl) : normaal ontstaat een corpus luteum na de ovulatie en blijft ongeveer 16 dagen aanwezig. In sommige gevallen persisteert het c.l. alsof de ezelin drachtig zou zijn. Wanneer na nauwgezet onderzoek drachtigheid kan worden uitgesloten , kunnen prostaglandines worden toegediend. Men moet de eigenaar waarschuwen voor de net als bij het paard optredende bijwerkingen : trillen en zweten gedurende een uur. De ezelin zal dan na 2 tot 7 dagen in oestrus komen.

      - Pyometra : dit komt zelden voor. De ezelin kan worden behandeld, de prognose is echter slecht.

      - Tumoren : komen zelden voor. Er is dan meestal sprake van een granulosaceltumor van het ovarium. Het is een benige tumor. De ezelin kan nymfomaan gedrag vertonen of zich als een hengst gedragen. In de meeste gevallen treed er geen oestrus op. Het betreffende ovarium is zacht en vergroot, terwijl het andere ovarium juist klein en inactief is. Wanneer het aangetaste ovarium wordt verwijderd, zal de ovariële activiteit na 2 to 9 maanden terugkeren.

      Problemen met de dracht :

      Als tussen 330 en 350 dagen dracht geboorte van de vrucht optreedt, spreekt men van vroeggeborte of partus praematurus. Als geboorte plaatsvindt voor 330 dagen drachtigheid spreekt men van abortus of partus immaturus. De vrucht is dan niet levensvatbaar. Mogelijke oorzaken van abortus kunen zijn :

      - Infectueuze oorzaken : - Een bacteriële infectie

      - Een schimmelinfectie (kan ontstaan door het eten van beschimmeld voer).

      - Een virusinfectie (door het Equine Herpes Virus type

      1 : de abortus treed op in het laatste derde gedeelte van de dracht).

      - Niet-infectieuze oorzaken :

      - Een getordeerde navelstreng (de abortus treedt dan meestal op in het middelste derde gedeelte van de dracht); de navelstreng is langer dan normaal en een aantal malen gedraaid.

      - Toedienning van bepaalde stoffen.

      - Hormonale disbalans

      - Abnormale foetus

      - Transport

      Als men met een abortus te maken krijgt, kan niet zonder meer worden bepaald of het Equine Herpes Virus 1 (EHV 1) hiervan de oorzaak is. Er zullen daarom dezelfde maatregelen moeten worden getroffen als na abortus bij een paardenmerrie.

      Het EHV 1 is zeer besmettelijk. Hoge doses virus worden met de foetus en de vruchtvliezen uitgescheiden. Foetus en vruchtvliezen moeten worden verwijderd en onderzocht op de aanwezigheid van het EHV 1. De omgeving moet worden gedesinfecteerd. De betreffende ezelin moet worden geïsoleerd van de andere ezels, totdat de uitslag van het onderzoek bekend is. Is de uitslag positief, dan zal de ezelin gedurende 4 weken virus kunnen verspreiden. Tijdens deze periode moet de ezelin geïsoleerd blijven.

      Problemen met de parus :

      Bij het verloop van de partus kunnen zich verschillende problemen voordoen, net als bij het paard. Dit geldt overigens ook voor eventuele complicaties post partum. Voorbeelden zijn : abnormale ligging, blaasruptuur, uterusprolaps, retentio secundinarum en endometritis.

      - Verlengde draagtijd : Als men om een bepaalde reden, bijvoorbeeld een sterk verlengde draagtijd, de partus il induceren, kan dit met behulp van corticosteroïden pf prostaglandinen. Als de partus niet vordert (maar de cervix wel is ontsloten) en men al met glucose en calcium-borogluconaat heeft behandeld, is oxytocine geïndiceerd.

      - Sectio caesarea : Als er een indicatie voor een keizersnede is, bijvoorbeeld bij een dode vrucht in combinatie met te weinig ruimte voor een foetotomie, kan deze op dezelfde wijze worden gedaan als bij het paard. Extra aandacht moet echter worden besteed aan het ligeren van bloedvaten, aangezien een ezel in vergelijking met het paard een grotere neiging tot bloeden vertoont. De anesthesie bestaat uit een lichte narcose in combinatie met locale anesthesie gecombieerd met epidurale anesthesie kan ook een goed resultaat geven. Men moet bij de epidurale anesthesie nauwkeurig doseren, omdat bij een overdosering de ezel door de achterbenen zakt. De nabehandeling bestaat uit het geven van oxytocint (10-40 IE,s.c./i.m.), Tomanol (20 ml trikt i.v.), tetanusserum (10.000 IE, s.c.) en antibiotica (bv ampicilline 10mg/kg. 2 X daags)

      Retentio secuntiarum :

      Het uitdrijven van de secundinae moet binnen een half tot 2 uur na de partus voltooid zijn. Als dit langer dan 12 uur duurt moet er worden ingegrepen. De behandeling is dezelfde als bij het paard. De vruchtvliezen moeten voorzichtig worden losgemaakt. Aanbevolen wordt de vruchtvliezen altijd op volledigheid te controleren door ze uit te spreiden. (GVL : Bewaar de nageboorte bvb in een emmer, dit kan dan nagekeken worden door de veearts op volledigheid).

    2. HET MANNELIJK DIER :

    Castratie : Castratie van een ezelhengst kan het best worden uitgevoerd rond het 1ste levensjaar. Geadviseerd wordt de ingreep uit te voeren voor het 5de jaar, omdat de ezel anders zijn hengstenmanieren behoudt. De meest gebruikte en veiligste methode is de halfbedekte ccastratie, net als bij het paard. In vergelijking met het paard heeft de ezel meer neiging tot oedeemvorming na ingreep. Tevens zou de ezel langer nabloeden. Het is daarom niet verstandig om een ezel alleen met een emasculator te castreren. Men kan beter tevens een ligatuur aanleggen. Evenals bij het paard is bij de ezel een goede tetanusprofylaxe van belang.

    Cryptorchidie : Kan zowel in uni- als bilateraal voorkomen. in de beschreven gevallen waren de testes gelokaliseerd in de inguinaalstreek. Als mogelijke oorzaak wordt sterke inteelt genoemd. Bij jonge dieren tot 1 jaar kan eenzijdig cryptorchidie tijdelijk voorkomen. De testis kan vanzelf nog indalen.

    Tumoren : In zeldzame gevallen ziet men tumoren aan de penis. Meestal is er sprake van sarcoïden.

     

     

  3. Stofwisselingsziekten : HYPERLIPEMIE

    Bron : Diergeneeskundig Memorandum 12/94

    Hyperlipemie is de meest voorkomende stofwisselingsziekte bij ezels. De etiologie is niet met volledige zekerheid vastgesteld. In elk geval speelt stress (zoals een veranderd dieet, pijn, transport en een plotselinge vermindering van de hoeveelheid voer) in combinatie met overgewicht een rol.

    De preventie bestaat uit het zorgen voor een juist lichaamsgewicht van de ezel. Als men een ezel op een vermageringsdieet zet, moet men hem niet meer dan 2 kg. per maand laten afvallen. Verder moet men stressfactoren (zoals vaccinaties, dieetveranderingen, spenen) zoveel mogelijk op verschillende tijdstippen laten plaatsvinden.

    Volgens de nieuwste inzichten zou mogelijk EHV 1- virus ook een rol in de etiologie kunnen spelen. Dit virus zou dan een ontsteking van de pancreas veroorzaken, waarbij de lever wordt aangetast. Bij onderzoek van een dier dat is gestorven aan hyperlipemie, is vaak een vergroting en ontsteking van de pancreasgangen en de pancreas te vinden.

    Symptomen :

    Het dier wordt in de loop van 2-10 dagen steeds slomer, eet niet meer en raakt uiteindelijk in coma. Soms is er sprake van speekselen en neusuitvloeiing. Bij het hyperlipemie-syndroom treden verder dyspnoe, uremie en aantasting van nieren en lever. De mortaliteit is 90-95 % .

     

    Diagnose :

    De diagnose wordt gesteld met behulp van een bloedmonster. Bij hyperlipemie ligt er een wit, opalescerend laagje op het bloed. Dit laagje kan wel 30 % van het monster uitmaken. De witte laag bestaat uit vetten die in het bloed komen door plotselinge mobilisatie van het reservevet van het lichaam. Bij postmortaal onderzoek is de lever vergroot, erg broos en heeft een lichte mosterdgele kleur.

    Therapie :

    De therapie is gelijk aan de behandeling van hyperlipemie bij pony's en is afhankelijk van de ernst van de aandoening. Voor een patiënt die hyperlipemisch is (het totale lipidengehalte bedraagt 10-20g/l) wordt de volgende therapie aanbevolen :

    - Een infuus: Ringers-oplossing met 5 glucose, waaraan 20.000-25.000 IE heparine zijn toegevoegd.

    - Dagelijks 60IE protamine-zink-insuline (i.m., eenmalige dosis)

    - Zolang het dier niet eet, zorgen voor een geforceerde voeding, 2 x per dag ongeveer 2 liter slobber met een neussonde. De slobber bestaat uit lijnzaad, grasbiks en maïsmeel.

  4. Huid en beharing

    Bron : Tijdschrift Duitse ezelsvereniging : ESELFREUNDE

    Waarom krijgt mijn ezel plots kale en haarloze plekken ?

    Aanvankelijk ben ik eerst ‘n beetje geschrokken, want haarproblemen zijn bij de langoortjes een tamelijk serieus probleem. Ik heb hem gevraagd eerst de kale plekken eens zeer grondig te onderzoeken. Volgens zijn beschrijving was de onthaarde huid glas, de kale plekken vertoonden alle mogelijke geometrische vormen en aan de rand ervan konden de haren zonder moeilijkheden gewoon uitgeplukt worden. Bij nader toezicht ontdekte onze ezelsvriend dan kleine diertjes, welke nauwelijks twee millimeter lang weren. Het waren haarluizen en er bestaat zelfs een speciale haarluis, genoemd "Werneckiella equi asini". De haarluizen leven van huidschilfers, huidklierafscheidingen en haren. Een haarluiswijfje legt tot honderd eieren en kleeft ze aan de haarwortels. Na zeven dagen sluipen die de eerste larven eruit en over twee verdere larvenstadia treft men dan na ongeveer veertien dagen opnieuw volwassen larven op het dier aan. De bestrijding van haarluizen verloopt een beetje moeilijk daar de ontwikkelingsfazen meten gevolgd worden. Daar kan de bevoegde veearts echter wel raad brengen. I bepaalde landen worden ‘ektoparasiten met een inenting behandeld. Maar o.a. in Zwitserland is dit middel voor paarden en ezels niet toegelaten.

     

    1. Problemen met de huid en beharing :

      Met de aankomende lente en de bijhorende ruif willen we hier een woordje uitleg geven over de huid en de beharing. Het is niet zelden zo dat de ezeltjes zich in de lente beginnen te schuren om hun winterhaar kwijt te raken, daarbij ontstaan soms kale vlekken. Het is echter ook een tijd dat men de huid goed moet controleren op mogelijke infecties of ongedierte. Bij de dagelijkse borstelbeurt (roskammen) zullen de dode haren loskomen, bovendien hebben ze dit graag en is het de ideale moment om huid en haar eens te controleren.

       

      1. LUIZEN :

        De luis is een veel voorkomende parasiet bij de ezel. Luizen komen het meest voor in de lente en in de herfst. ze zitten voornamelijk op het hoofd (achter de oren), de manen, de schouderstreek en de staartbasis.

        Er zijn verschillende soorten luizen:

        - Anoplura (bloedzuigende luizen) : bij ezels zijn dat Haematopinus asini asini en Ratemia squamulata.

        - Mallophaga (vachtluizen): bij de ezel betreft het Damalinia equi.

        Symptomen : Jeuk is het eerste symptoom, gevolgd door het ontstaan van kale plekken. als het haar eraf komt, is de huid helemaal gaaf, tenzij er sprake is van secundaire dermatitis. Bij een ernstige infectie met zuigende luizen kan bloedarmoede optreden.

        Diagnose : De definitieve diagnose stelt men door het aantonen van de neten, die met het blote oog te zien zijn (witte puntjes).

        Therapie : -Wassen met een antiluizenmiddel (bv. Sebacil); meestal moet men dit 2 maal doen.

        - Oormerken die cypermethrin (Flectron) bevatten, die aan de halster of halsband worden bevestigd. Deze middelen houden tevens de vliegen goed weg. In Engeland heeft men gunstige ervaringen bij grote aantallen ezels. De oormerken werken 4-6 maanden.

        - Delmethrin bevattende druppels, bekend onder de naam Sputop. Eveneens in Engeland heeft men hiermee goede ervaringen opgedaan. Het werkt 3 maanden tegen luizen, tegen vliegen 6 weken. Per keer 10 ml op de schoft toedienen. (een aanrader volgens mij (GVL)).

        - Een injectie met ivermectine (Ivomec), in de dosering als voor vee (200mcg/kg). De werkingsduur is 3-6 weken en maagdarm resp. longwormen worden tegelijkertijd gedood.

        Al deze middelen zijn door de "Donkey Sanctuary" 4 jaar lang gebruikt en men heeft geen problemen gezien. Men adviseert het volgende schema toe te passen :

        - Spot On : 10 ml eind februari / begin maart

        - Ivermectine-injectie, begin mei

        - Een oormerk aan de halster, begin juni

        Ieder jaar een werkzame stof uit de andere groep.

        Wat voor behandeling men ook kiest, altijd moet men alle dieren in de directe omgeving mee behandelen, evenals het tuig en het poetsgerei, aangezien luizen enige dagen kunnen overleven in uitgevallen haren, dekens, borstels, enz.

         

      2. MIJTEN :

        Symptomen : Bij de ezel komen 3 soorten mijten voor :

        - Sarcoptes scabiei : een gravende kortpotige mijt die in het algemeen een voorkeur heeft voor de lichtst behaarde delen, maar zich kan uitbreiden over het hele lichaam. De huidproblemen bestaan uit rode, sterk jeukende papels die zich tot pusteltjes met een geel kopje kunnen ontwikkelen. In chronische en gegeneraliseerde vormen ontstaat hyperkeratose van de huid en haaruitval. Soms treedt duidelijk korst- en plooivorming van de huid op. De aandoening gaat gepaard met onrust, schuren en bijten tengevolge van jeuk.

        -Psoroptes equi : leeft op de huid en heeft een voorkeur voor de dichtbehaarde delen van het lichaam. De huidlaesies zijn voornamelijk gelokaliseerd op de nek, schouders, schoft en de rug. De laesies zijn gekenmerkt door grote kale plekken met korsten en lokale hyperemie. Onder de korsten is de huid vochtig en dun. Daar waar al geschuurd is, ziet men sereus, hemragisch exsudaat en bloed; er is vaak sprake van een natte dermatitis.

        - Chorioptes bovis : deze soort komt voornamelijk voor op de onderbenen en gaat gepaard met jeuk, haaruitval en korstvorming.

        Diagnose : De definitieve diagnose is bij een mijteninfectie te stellen door middel van microscopisch onderzoek van een huidafkrabsel. Het afkrabsel wordt van verschillende plaatsen genomen. Vooral bij een sarcoptes-infectie is het van belang een diep afkrabsel te nemen aan de rand van de laesie.

        Therapie : De therapie bestaat uit het wassen van de dieren, hetgeen na een week moet worden herhaald. Dit kan met middelen die ook tegen luizen worden gebruikt. Ivermectine-injecties zijn een andere mogelijkheid. essentieel is echter het isoleren van de aangetaste dieren, zodat de infectie zich niet onder de stalgenoten kan verspreiden.

      3. TEKEN :

        Teken komen bij ezels niet veel voor.

        Symptomen : Als teken voorkomen kunnen ze anemie veroorzaken en parasitaire ziekten overbrengen. De algemene conditie kan achteruitgaan. Ook kunnen de teken onrust veroorzaken omdat ze de ezel irriteren.

        Diagnose : De definitieve diagnose stelt men door de teken op te sporen.

        Therapie : De therapie is dezelfde als bij luizen, hoewel men de teken ook manueel kan verwijderen.

      4. VLOOIEN :

      Vlooien kunnen weliswaar voorkomen maar vormen in Nederland en België eigenlijk geen probleem bij ezels.

      Symptomen : Bij uitgebreide infectie kunnen vlooien onrust veroorzaken door jeuk.

      Therapie : Een eventuele behandeling bestaat uit gebruik van een vlooienpoeder.

    2. DE RUI :

      Hoewel de rui een fysiologisch gebeuren is, wordt het hier toch genoemd omdat de rui bij ezels vaak gepaard gaat met jeuk. Dit zou verwarring kunnen geven met huidaandoeningen. De rui duurt ongeveer van eind april tot eind juni, afhankelijk van het weer en de omstandigheden waaronder de ezel wordt gehouden. Tijdens de ruiperiode kunnen de ezels zich vaak schuren, als gevolg van jeuk. Op sommige plaatsen schuren zij zich zelfs kaal en rood, vooral op de schouder, voorborst en op de achterhand. Soms ontstaan korsten of een nat eczeem, in het bijzonder in de oksels. Men moet de ezel in deze periode dagelijks borstelen, zodat hij de losse haren sneller kwijtraakt en daardoor minder jeuk heeft.

    3. STAART- EN MANENECZEEM :

      Deze aandoening berust op een overgevoeligheid voor bloedzuigende insecten. Gezien de oorzaak komt deze aandoening vooral in de zomer voor, als de dieren weidegang krijgen.

      Symptomen : De dieren hebben last van jeuk, met als gevolg onrust en stress. Ze schuren, waardoor secundair laesies kunnen ontstaan.

      Therapie : De beste therapie is de ezels gedurende de zomer overdag in een vliegenvrije stal te houden en ze allen ‘s nachts in de wei te laten grazen. Andere mogelijkheden zijn de ezels naar een gebied te brengen waar geen zulke insecten voorkomen (vb weide die niet aan een beek grenst) het bestrijden van vliegen, wassen en eventueel scheren.

    4. EIWIT-OVERVOEDING :

    Overvoeding geeft vele problemen bij de ezel. Een ezel die met een teveel aan eiwitten wordt gevoerd, kan ongeveer dezelfde huidproblemen krijgen als die zich bij staart- en maneneczeem voordoen. Het is dus van belang dat men bij dergelijke klachten altijd naar het ratsoen kijkt. Als therapie is het voldoende het rantsoen te wijzigen, dus het eiwitgehalte te verminderen.

    Dit komt vooral voor door het bijvoederen van de ezels, en zelfs bij ezels die niet bijgevoederd worden, maar op een te vette weide staan (zeker in het voorjaar). Opl. : De weide maaien.

    Bron : Diergeneeskundig Memorandum : december 1992

    Een gezamenlijke uitgave van Duphar, Animal Health, Janssen

    Pharmaceutica en Mycofarm

     

  5. VOEDING VAN DE EZEL :

    Bijvoeding (brood, korrels, mengsel, maïs, ....) voor een ezel zal hem eerder schaden dan goed doen. Met hooi en stro zal hij zonder problemen de winter doorkomen. Een snoepje (wortelt, droog koekje, ...) als beloning bij een handeling vb. na het kuisen van de hoeven of bij een verwelkoming, mag natuurlijk altijd en zal de relatie tussen verzorger en ezel zeker verzekeren.

    Over de voeding van de ezel lezen we hetvolgende in het Nederlands Ezelsboek (vertaling van "A Professional Handbook of the Donkey"samengesteld door Mevr. E. Svendsen van de Donkey Sanctuary en vertaald door de Nederlandse Ezelsvereniging. Dit boek kan u bestellen door overschrijving van 650 fr. op rekening van B.V.T.V.E. vzw, P/A Veldekensdreef 79, 9500 Geraardsbergen met vermelding "Bestelling Nederlands Ezelsboek"

    Een ezel benut zijn voer efficiënter dan een pony : geef daarom ¾ van de hoeveelheid die nodig is voor een pony van dezelfde maat.

    Bij te magere ezels met de hoeveelheid voer langzaam opgedreven worden.

    Bij te vette ezels moeten langzaam vermageren : 2 kg per maand (anders is er kans op het ontstaan van hyperlipaemie en hyperproteinaemie, dat is teveel vet, respectievelijk teveel eiwit in het bloed).

    Het gewicht van de ezel is alleen te bepalen op een weegbrug, de bandmaat die bestaat voor pony’s kan niet voor ezels gebruikt worden.

    Wat geeft dat in de praktijk :

    Een ezel tussen de 1.05m en 1.12 m (stokmaat op schofthoogte) mag 160 - 170 kg (hoogstens 180 kg) wegen, de hoeveelheid droogvoer zal +/- 3,5 kg per dag moeten bedragen, d.w.z. 2 kg hooi + bv. 3 kg stro. (hooi moet van middelmatig goede kwaliteit zijn, het stro van goede kwaliteit.) Daar stro minder voedingsbestanddelen bevat dan hooi, mag daarvan meer gegeven worden (3 kg i.p.v. 1,5 kg). in de winter, wanneer de dieren door de koude meer energie verliezen, kan de hoeveelheid stro opgevoerd worden tot 3,5 à 4 kg. In de praktijk komt dit erop neer, dat ze zoveel stro mogen eten als ze willen.

    Opmerkingen :

    Stro : gerst-, haver- of tarwestro, geef ook stro in de zomer

    Rogge : geeft gemakkelijk aanleiding tot hoefbevangenheid en huidaandoeningen.

    Maïs : bevat veel energie, hooguit ½ kg per dag.

    Suikerbieten(pulp) : veel suiker, veel ruwvezel, goed verteerbaar en smakelijk. Goed voor herstellende, zieke dieren. Niet teveel tegelijk bijvoeren (hoefbevangenheid)

    Biks, vlokken, koeken : Eventueel goed met hooi, hoogstens ¼ van het totale gewicht aan voer. Niet mengen met ander voer. Enkel mengsels nemen bestemd voor paarden, geen samenstellingen nemen voor andere dieren.

    Keukenafval : Het spreekt haast vanzelf, dat dit alleen in kleine hoeveelheden gevoerd mag worden, bv. appels (altijd minstens in 2 snijden i.v.m. verslikken), schillen van aardappels, komkommer, slablaadjes, ... Dit mag sporadisch eens, maar mag zeker niet de hoofdvoeding zijn van uw ezel, anders houd u beter kippen, of varkens.

    Wortels : 1 à 2 kg per dag. Bevatten veel vitaminen A. Bij vriesweer kan dit aangeraden zijn want wortels bevatten veel vocht, zodat de ezels minder moeten drinken. Teveel aan wortels kan normaal geen kwaad, het werkt alleen wat laxerend.

    Voer geen beschimmeld hooi

    Voorzie steeds elke dag vers water ! Afhankelijk van grootte en arbeid en vooral van voedsel wordt +/- 18 liter per ezel per 24 uur gedronken. Vooral in de winter bij het voederen van hooi, drinken de ezels veel. In de zomer als enkel gras wordt gegeten is het waterverbruik beduidend minder.

     

  6. Problemen met veulens

    Dikwijls krijg ik vragen ivm het bepalen van het juiste tijdstip wanneer de merrie gaat veulen. Dit is echter zeer moeilijk te bepalen. Normaal bedraagt de dracht 12 maanden, een afwijking van 2 weken vroeger of later, is niet uitzonderlijk.

    Men kan algemeen stellen dat de uier begint te zwellen op ongeveer 3 weken voor de geboorte. Men moet dan wel regelmatig de uier bekijken om een idee te hebben van de zwelling. Staat men achter de merrie en ziet men de uier duidelijk hangen, dan kan men beginnen aftellen. Ongeveer 3 dagen voor de geboorte beginnen ook de tepels te zwellen, de uier staat dan al volledig gespannen. Soms komt er op het einde (1 - 3 dagen) al vocht uit de uier (de uier traant).

    Sommige merries weigeren ook te eten op de laatste dag, of blijven steeds rond hun stal draaien.

    In de meeste gevallen heeft de geboorte plaats 's avonds of 's nachts. Dus als het rustig is. Is de stal ruim genoeg, dan kunt u de merrie opsluiten, of kan u verkiezen ze toch 's nachts op te stallen.

    Normaal verloopt de geboorte zonder problemen, maar toch is het belangrijk enkele punten in acht te nemen:

    - controleer dat de neus volledig vrij is (eventueel verwijderen van de resten van het vlies.

    - controleer of de nageboorte volledig is afgekomen (bewaar die eventueel in een emmer om door de veearts te laten controleren).

    - Zoek de darmpek van het veulen, dit is de eerste mest (vergelijkbaar met konijnenkeutels).

    - Ontsmet zo snel mogelijk de navel

    - De merrie likt het veulen droog, gebeurt dit niet, dan kan u het veulen droog wrijven (en stimuleren van de bloedstroom) met stro of een handdoek. U kan ook een klein beetje zou op de rug wrijven, dit zou normaal de merrie moeten aanzetten tot het likken. (het kan zijn dat de merrie wacht tot ze verlost is van de nageboorte).

    - controleer of het veulen drinkt

    - Bij regen sluit de merrie met het veulen op.

    Het veulen moet normaal in staat zijn te drinken na 2 à 4 uur na de geboorte.

    Tussenkomen bij de geboorte gebeurt bij voorkeur niet, verloopt de geboorte vrij vlot, maar is de merrie uitgeput, dan kan u eventueel een handje helpen. Is het veulen voor 3/4 reeds vrij (enkel nog het achterste zit in de merrie) dan kan u het veulen er lichtjes volledig uittrekken. Dit moet kunnen gebeuren zonder dat u veel kracht gebruikt.

    Bij de geboorte scheurt normaal het vlies volledig open, zodat het veulen kan ademen, controleer dat de neus volledig vrij is.

    De navelstreng scheurt vanzelf op de daartoe bestemde plaats, snij die nooit zelf door met een mes of schaar. Moet u dit toch om een uitzonderlijke reden doen, scheur dan de navelstreng tussen uw 2 duimen, en hou iets klaar om eventueel af te binden. Beter is toch de veearts te verwittigen.

    Verloopt de geboorte niet vlot, of heeft u twijfels ivm de gezondheid van de merrie of het veulen, twijfel dan niet en verwittig de veearts.

     

     

    1. Ziektes bij veulens :

      Een jong gezond veulen is zeer speels, het rent als een dol hondje rond in de weide. In het begin zeer dicht bij de merrie, maar naarmate het ouder wordt, worden ook de cirkels steeds groter. Als u uw veulen dit ziet doen is het in uitstekende gezondheid. Een veulen houdt er ook van om plat op zijn zij in de zon een dutje te doen.

      Merkt u echter dat het veulen veel stilstaat en het hoofd naar beneden laat hangen, dan is er duidelijk iets verkeerd. De meeste ziekteverschijnselen manifesteren zich vanaf de 3de tot de 6de week. Dit is de moeilijkste periode, ook al omdat bij de merrie de melk keert. Voorts is er gevaar van infecties, die opgelopen zijn kort na de geboorte, meestal via de navel. Deze infecties verspreiden zich dan naar de organen (via striemen die verbonden zijn met de navelstreng en na enige tijd verdrogen en verdwijnen). Deze infecties breken dan meestal uit rond de 3de week. In dit geval moet u zeker de veearts waarschuwen, want een veulen kan het heel snel achteruit gaan, zeker als hij te zwak wordt om nog zelf te zuigen.

      U kan zelf de temperatuur nemen, de normale temperatuur voor een veulen is 38,9 dus vrij hoog. Het beste is dat u regelmatig de temperatuur neemt ook als het veulen gezond is, zo heeft u een beter idee wanneer de temperatuur te sterk afwijkt.

      Ook de polsslag kan u zelf nemen (in de hals). De normale waarde voor een veulen is ongeveer 80.

      constateert u dat het veulen niet meer actief is en de temperatuur en polsslag afwijken van de gemiddelden, wacht dan niet en contacteer de veearts.

      Indien de veearts antibiotica voorschrijft, vraag dan een soort waar er géén diarree bij optreed, want dit zou het veulen nog meer verzwakken.

       

      1. DIARREE :

        Diarree is heel gevaarlijk, het veulen wordt uitgeput en droogt uit. Dit mag zeker niet te lang duren. Er is wel een bepaalde periode wanneer bij elk veulen de mest nogal plat is, dit is bij het keren van de melk bij de merrie, dus ongeveer na 3 weken. Dit kan enkele dagen duren, en is vrij normaal. Er is geen probleem wanneer u merkt dat het veulen nog regelmatig drinkt en speels blijft.

         

      2. WORMEN :

        De laatste maand is het best de merrie nog eens te ontwormen. Let wel op dat u ontworming gebruikt waar duidelijk op vermeld staat dat het mag gegeven worden aan zogende merries. Het veulen zal zo ook onrechtsreeks reeds een eerste dosis krijgen.

        Alhoewel men soms zegt dat dit voldoende is voor het veulen, en dit pas op een leeftijd van 3 maanden moet ontwormd worden, kan ik uit eigen ervaring zeggen dat dit niet altijd opgaat. Ik raad steeds aan een lichte ontworming te geven aan het veulen op 3 à 6 weken (dosis voor 25 kg). Dit kan u heel wat ellende besparen.

         

      3. REGEN en KOUDE :

      Is het slecht weer (vooral regen) dan is het best de merrie met het veulen op te sluiten, zelfs gedurende een langere periode. Als het even droog is kan u ze dan voor een tijdje terug buitenlaten. Het veulen kan zich dan eens goed uitleven.

      De eerste 3 weken is het de merrie die het veulen volgt, dus als het regent zal de merrie niet binnen gaan maar bij het veulen blijven. Op een drietal weken begint dit te keren en zal de merrie terug het initiatief nemen, en zal het veulen volgen. Vandaar de raad bij slecht weer, vooral de eerste 3 weken beiden op te sluiten.

       

    2. Het veulen en de merrie.

      1. Een dekking kan er nogal wild aan toe gaan.

        Indien u over een eigen hengst beschikt is er geen probleem, de hengst mag continue bij de merries lopen. Hij zal in eerste instantie de merries bestijgen om aan te tonen dat hij de leider is, dit noemt men dan dominantiebestijgingen. Deze bestijgingen beperken zich meestal tot het op de rug springen van de hengst bij de merrie, en verder gebeurt er niets.

        Is de merrie hengstig, d.w.z. klaar voor de hengst dan zal hij haar bestijgen en bevruchten. Hierbij zal de merrie in min of meerdere mate meewerken, ze wacht de hengst op en begint te kauwen en spreidt lichtjes de poten op het moment van de bestijging. Na de penetratie ziet men nog wat vocht uit de penis van de hengst lopen, de merrie zal urineren en de hengst zal na eraan geroken te hebben het hoofd omhoog houden en als het ware lachen (tanden goed zichtbaar).

        De merrie zal zich blijven verzetten zolang ze niet hengstig is, en zal de hengst afhouden met hevige stampen. Bij een dekking kan het er nogal wild aan toegaan. Het borstbeen van de hengst is echter perfect geschikt om zelfs harde rake klappen op te vangen. Hengsten die wat meer ervaring hebben zullen echter de stampen met min of meer succes kunnen ontwijken.

        De hengst zal alle middelen aangrijpen om de merrie te kunnen dekken, hij zal haar achterna zitten en bij het bestijgen zelfs vastbijten in de nek. Zelden leidt dit tot echte vleeswonden, toch is het raadzaam de nek van de merrie na de dekking eens te inspecteren, is enkel wat haar uitgetrokken, dan is er geen probleem, is er echter een diepe vleeswond, dan moet die onmiddellijk verzorgd worden. Het beste middel hiervoor is ISOBETHADINE. Dit produkt werkt heel snel en zal de wonde in een mum van tijd doen opdrogen en de korstvorming versnellen. In dit geval is het wel beter de hengst en de merrie te scheiden en te wachten tot de wonde geheeld is voor ze opnieuw bij elkaar te brengen.

        Heeft u zelf géén hengst, dan raden wij u aan beroep te doen op een gekeurde hengst. Deze hengsten voldoen niet alleen aan de standaarden van de vereniging, ze hebben ook al meermaals bewezen gezonde en mooie veulens voort te brengen. Bovendien is de kans op een gelukte dek met deze hengsten groter dan met een onbekende hengst.

        Echte zekerheid over het slagen van een dek heeft men bijna echter nooit.

      2. Wanneer is de beste periode om de merrie bij de hengst te laten ?

        Merries zijn normaal niet hengstig in de winter periode (korte dagen en koud).

        Vanaf het voorjaar tot het najaar kan een merrie echter hengstig worden en is dus geschikt om voor te brengen aan de hengst. De dagen moeten al voldoende lang en warm zijn (vanaf einde maart).

        De periode waar men de merrie bij de hengst laat is ook afhankelijk van uw infrastructuur. Daar de normale draagtijd ongeveer een jaar is, moet u over een goede stal beschikken als u uw merrie laat dekken in het vroege voorjaar of het najaar. Zelfs in maart en april is het weer nogal vochtig en onvoorspelbaar. Vanaf mei tot juni is een ideale periode. Het weer is vrij zacht (geen echte nachtvorst meer) en de neerslag is beperkt; Het veulen kan zelfs zonder probleem in de weide gebeuren. In juli en augustus moet u rekening houden dat u moeilijk op verlof kunt vertrekken want het juiste moment van het veulen is moeilijk te voorspellen. Eens september wordt het al laat op het jaar en kan het veulen niet meer genieten van het goede weer tijdens zijn eerste maanden.

         

      3. Hoelang moet een merrie bij de hengst blijven om zeker te zijn van dekking ?

        Het is nogal moeilijk bij een merrie de periode vast te stellen wanneer zij hengstig is. Als men zijn merrie goed kent kan men dit toch merken aan veranderingen in het gedrag. Het is vooral moeilijk bij merries die nog nooit geveulend hebben. Gemakkelijker is het als de merrie pas geveulend heeft, dan kan men de hengst een negental dagen na de geboorte terug bij de merrie plaatsen om haar te laten dekken.

        De kans op een geslaagde dek vergroot natuurlijk met de periode dat de hengst bij de merrie loopt. Brengt u de hengst en de merrie slechts gedurende enkele uren bij elkaar, dan kan er een geslaagde dek zijn, maar soms is de hengst zo dominant dat hij zelfs de merrie dekt indien die niet hengstig staat, met als gevolg dat een blijkbaar geslaagde dek toch geen resultaat heeft. Om de slaagkans te verhogen kan men enkele dagen de operatie herhalen, zo vergroot men toch de kans op slagen.

        Een merrie wordt om de drie weken hengstig, dus als u een kans op slagen wil vergroten, dan is een verblijf van 3 weken aangeraden of zelfs iets langer aangeraden.

        Merries in goede gezondheid (niet te vet) zullen een grotere kans geven op een geslaagde dekking dan merries in minder goede conditie. Bovendien is het de natuur die beslist en is een 100 % zekerheid van geslaagde dek nooit zeker, ook niet bij een verblijf van een langere periode.

         

      4. Hoe kan men zien of een merie drachtig is ?

        Om geen jaar te verliezen of in onzekerheid te zijn, kan je beroep doen op een veearts om de bevruchting vast te stellen, dit kan hij doen op verschillende manieren nl. via een urniestaal, een bloedstaal of een echografie. Elke methode heeft zijn voor en nadelen. Een urinestaal is wat moeilijk op te vangen en bij een echografie gebruikt men toestellen die bedoeld zijn voor paarden. Een bloedstaal is waarschijnlijk het eenvoudigst en het goedkoopst.

        Wanneer de dracht op zijn einde loopt heeft men wel enkele indicaties om de naderende geboorte te voorzien. Normaal moet men gedurende de laatste 2 maanden van de dracht een dikkere en vooral naar beneden hangende buik vaststellen. Denk eraan de merrie ongeveer 6 weken voor de geboorte nog eens te ontwormen met EQVALAN.

        Gedurende de laatste 3 weken kan men een vergroting van de uier vaststellen. Eerst begint de uier lichtjes te zwellen d.w.z. dat het einde van de dracht nabij is. De uier is vergroot, maar staat nog niet gespannen. Nu is het misschien wel het moment om eens op de kalender te kijken wanneer het volle maan is. Is het volle maan binnen de 3 weken, dan kan u de dagen rond volle maan in elk geval met rood omcirkelen. Hoewel dit slechts een indicatie is, moet ik toch vermelden dat bij mij reeds alle vier de veulens geboren werden in de periode van 48 rond volle maan. Eens de uier gespannen staat is de geboorte heel dicht genaderd, zijn ook de tepels duidelijk vergroot en komt er eventueel al vocht uit en zal het waarschijnlijk binnen de 72 uur en waarschijnlijk zelfs binnen de 48 uur geboren worden. Ook nog een goede indicatie is dat de dag voor of van de geboorte de merrie minder of niet meer zal eten.

         

      5. Hoe gebeurt het veulenen en is er hulp nodig ?

    EEN GOUDEN RAAD : Bij de minste twijfel verwittigd u de veearts, enkel hij kan op de gepaste wijze tussenkomen.

    Een merrie is perfect in staat alleen te veulenen en is er geen hulp van buitenaf nodig.

    Als het veulen in de normale positie ligt verloopt alles vanzelf. Eerst begint te merrie te wiebelen van de weeën, ze lijkt wel een beetje dronken. Het begint allemaal met het verschijnen van de 2 voorpootjes in een lichtblauw vlies. Als je dit ziet, weet je dat het veulen in de goede positie ligt. Het is wel belangrijk dat de 2 voorpootjes naast elkaar er tegelijkertijd uitkomen. Het kan zijn dat de merrie nog steeds rechtstaat als je de voorpootjes al ziet. Dan volgt het hoofdje dat tussen de voorpootjes licht. Dit is het moeilijkste moment en het kan even duren voor het hoofdje er volledig uit is. Eens het hoofdje eruit is zal het allemaal vrij snel gaan en na enkele malen persen floept het veulentje er volledig uit. U hoeft niet te schrikken als ze eventjes terug rechtstaat en enkele rondjes draait. Blijft het enkel nog met een klein stukje van de achterpoten steken, dan kan u eventueel heel voorzichtjes de het veulen er volledig uittrekken, maar toch geven wij de voorkeur eraan dat u niet tussenkomt. U moet wel controleren dat de navelstreng niet rond de hals zit en het veulen zou kunnen stikken, ook moet het vlies gescheurd zijn rond het hoofd zodat de neus of het volledig hoofd vrij is. Dan controleert u of de luchtgaten in de neus vrij zijn. Is de navelstreng rond de hals van het veulen gedraaid, probeer dan zonder forceren hem ervan rond te doen, lukt dit niet dan moet u op een vrije plaats de navelstreng uit elkaar trekken. Dit doet u door hem vast te nemen met beide handen en tussen de duim en de hand gekneld scheurt en trekt u de navelstreng af. Gebruik NOOIT een schaar om de navelstreng door te knippen. Hij moet breken op de zwakke plaats zonder een mooie snede.

    Ligt de navelstreng niet rond de hals dan zal die vanzelf breken en komt u er beter niet aan want het veulen krijgt nog steeds zuurstof, bloed en voedsel via de navelstreng. Denk eraan dat bij problemen u beter de veearts 10 minuten te vroeg dan 1 minuut te laat verwittigd, neem dus geen risico.

    De merrie zal nu eerst wat rusten en daarna zal ze haar veulen beginnen te likken. Nu moet nog de nageboorte bij de merrie afkomen, dit kan wel anderhalf uur op zich laten wachten, maar eens dit voorbij is zal u merken dat de merrie zich heel wat beter voelt en zich nog meer met het veulen gaat bezighouden. U kan de nageboorte eventueel bewaren in een emmer om te laten controleren door de veearts.

    Na ongeveer een uurtje zal het veulen pogingen ondernemen om recht te staan en zich richting uier proberen te begeven. Voor dit lukt zal het wel nog enkele keren neervallen, maar de kans dat ze zich verwondt is zeer klein. Haar gebeente is nog elastisch. Een veulen heeft ongeveer 8 uur tijd om de biest (eerste melk) te drinken. Hoe vroeger het veulen zuigt hoe beter, een richttijd is binnen de 3 uur. Eens het veulen zuigt zijn de meeste hindernissen genomen. Wel moet nog nagekeken worden of de darmpek van het veulen is afgekomen. Darmpek is de mest die zich reeds in de darmen opgestapeld heeft tijdens de dracht. Deze darmpek zijn dus kleine bolletjes mest (soms te vergelijken met konijnekeutels), het hoeven echter niet altijd bolletjes te zijn, het kan ook platter zijn (vooral in het voorjaar als de merrie veel gras eet). Het is wel belangrijk dat indien men de plaats vindt waar de merrie geveulend heeft te kijken of men deze darmpek vindt. Is ook dit het geval, dan kan er bijna niets meer verkeerd gaan.

    Na het veulenen zal de merrie zeker dorst hebben, geef haar daarom vers water en ook wat proper stro is welkom.

    U zal zien dat de stabiliteit van het veulen met het uur verbeterd en dat de eerste dagen een ongelooflijke vooruitgang wordt gemaakt.

    De navelstreng bij het veulen kan ontsmet worden met Isobethadine. Denk er wel aan dat de eerste zes weken voor een veulen kritiek zijn. Het is dikwijls zo dat zieken (infecties) opgelopen tijdens de eerste uren of dagen zich pas manifesteren rond de 2 of 3de week. Merkt u dat het veulen minder speels wordt, contacteer dan onmiddellijk de veearts. Als het veulen 2 weken oud is kan u reeds een lichte dosis van ontworming geven. Voor het veulen en de merrie enkel EQVALAN gebruiken.

     

     

     

  7. Problemen met de hoeven

    Zoals de meesten wel weten is het zwakke punt aan onze ezeltjes de poten. Zegt men niet "Een ezel gaat kapot aan zijn poten."

    Het is inderdaad zo de verzorging van de hoeven zeer belangrijk is. Regelmatig de hoeven laten kappen door een hoefsmid is echt een must. Maar ondanks dit regelmatig kappen, kunnen er toch nog problemen ontstaan. Meestal is dit langs de voorzijde van de hoef. De grote boosdoeners zijn bacteriën. Deze kruipen in de hoef via kleine scheurtjes en beschadigen de hoef van binnenuit. Langs de buitenkant is er eerst weinig te zien, eerst een gaatje of een klein scheurtje. Dit is echter niet alles, langs deze scheurtjes komt er ook veel vuil binnen de hoef en kunnen er ontstekingen ontstaan. Als het reeds ver gevorderd is kan men de hoef zien openbarsten of zelfs stukjes zien uitvallen.

    Nu kan men zeker niet langer wachten en moet men beroep doen op een hoefsmid. Hij zal de hoef uitkappen, en men zal zien dat een kleine beschadiging van buitenaf, toch een grote holte heeft binnen in. Eenmaal dit volledig uitgekapt en schoongemaakt, is het normaal een kwestie van tijd en zal de hoef weer herstellen. In de lente en zomer zal dit het snelst gebeuren (de hoeven groeien sneller door het betere voedsel, maar ook de grond is droger en harder). De hoef groeit nl. van binnen naar buiten. Het is bijna onmogelijk om een verband rond de hoef te leggen om te verhinderen dat er nog vuil in komt. Toch is het belangrijk de hoef een tijd proper te houden zodat ze zich kan herstellen. Een middel dat alles dood is "formol" aangelengd met water kan men dit gebruiken. "Formol" is echter een bijtend middel en is niet altijd ideaal.

    Onlangs vertelde mijn hoefsmid, mij een middeltje dat zij vroeger gebruikten om wonden aan de hoef af te schermen van vuil. Dit middeltje is volledig natuurlijk, heel effectief en ongevaarlijk. Het gaat hier om "NATUURLIJKE TEER". Dit middeltje kan u vinden bij de drogist. Het lijkt een beetje op de zwarte pasta’s waarmee snijwonden aan bomen en planten worden verzorgd (het kan er trouwens ook voor gebruikt worden). Dit produkt is zeer goedkoop en gemakkelijk aan te brengen. Met een borsteltje smeert men de proper gemaakte hoef in met de lopende teer. De uitgekapte wonde die lichtgrijs is (kleur van de hoef) en nogal opvalt door het kleurverschil met de andere delen van de hoef, wordt nu door deze "natuurlijke teer" eveneens zwart, en alles valt dus minder op. Deze teer sluit de uitgekapte hoef volledig af voor vocht en vuil.

    Nu is het gewoon wachten tot de hoef terug groeit en hopelijk komt alles goed.

    De scheurtjes in de hoef kunnen door allerlei reden ontstaan. Is uw ezel er gevoelig aan, raadpleeg dan uw hoefsmid. Hoefvet aanbrengen om het splitten te vermijden, kan een oplossing bieden.

     

    HOEFBEVANGENHEID : Oplossing gevonden in Nederland ?

    Bron : Balknoten : 24ste jaargang nr. 74 / juni 1997

    Hoefbevangenheid is een zwaar probleem bij ezels, de oorzaak is een teveel aan eiwitten, een te rijk voedsel dus.

    Ezels leven normaal in schraalse gebieden waar zij echt moeten zoeken om wat eten te vinden. Bij ons echter leven zij op goede vette weiden, dus zelfs zonder bijvoeding kunnen onze ezels al problemen hebben. Het wordt nog erger als je ook je weidde nog gaat vetten, dan wordt de groei van het gras nog versterkt. In feite zouden onze ezels moet op schrale weiden staan (eerst al afgegraasd door bv. koeien).

    Bezit u zo’n mooi groene vette weide, dan is het aangeraden deze weide in het voorjaar te maaien. Het is vooral het jonge gras in het voorjaar dat gevaarlijk is voor onze ezels.

    U kan de ezel ook een tijd opsluiten en slechts sporadisch laten grazen, maar dit wordt in de praktijk niet toegepast, onze ezels zijn onze troeteldieren, en ze opsluiten ervaren we als hun straffen.

    Toch moet bij te vette ezels ingegrepen worden, dit kan door hun oppervlakte te beperken, en/of de weide gedeeltelijk of geheel te maaien. Bijvoeding is al helemaal uit den boze, al wat je ze bijgeeft is teveel (voor gezonde ezels natuurlijk, zieke, herstellende of oude ezels kunnen eventueel wel nood hebben aan een aangepaste bijvoeding). Dus brood, paardenmengeling enz. is volledig uit den boze, en soms hoor ik dat mensen etensresten aan hun ezel geven, een ezel is géén varken, wens je de etensresten niet weg te smijten, geef ze dan bv. aan de kippen, maar zeker niet aan de ezel.

    Natuurlijk mag af en toe wel eens een droog koekje of stukje brood. Dieren worden immers getemd met voedsel. Maar dit moet een snoepje (dus heel kleine hoeveelheid) blijven. Dit kan je geven na bv. het borstelen, hoeven kuisen of dergelijke. Ik weet het, de mensen hebben het hier lastig mee, dit geldt niet alleen voor de ezels hoor, kijk maar eens op straat rond naar de mensen die gaan wandellen met de hond. Ook de hond is een troeteldier en ook hij heeft te lijden onder deze overbezorgdheid van zijn baasje, behalve zijn hondenvoer eet hij mee van tafel en dan zie je zoals nu overal veel te dikke honden.

    Maar nu terug naar de ezel. Volgens het artikel en de ervaringen van Wim en Jeeny Schagen uit Varsseveld in Nederland zou een bepaalde kruidenmix, SET-Free genaamd en geïmporteerd uit Engeland door Jordens Hippo BV in Wofheze een mogelijke oplossing bieden. Het geheim van dit kruidenmengsel is, dat het teveel aan eiwitten die het dier tot zich neemt wordt afgebroken. Sinds oktober 1995 zijn ze gestart met 3 maal daags een maatschepje toe te dienen aan Sjaantje (chronische hoefbevangenheid) en na een aanlooptijd van een half jaar lieten ze Sjaantje weer in de weide grazen. De pijnstillers liggen nog steeds klaar, maar zijn tot heden niet meer nodig geweest.

    Maar er is ook nog een ander produkt die zijn diensten bewezen heeft in Engeland. Dit produkt noemt "BIO Trition". En sinds enige tijd krijgt Sjaatje 2 maal daags SET-Free en BIO-Trition en het resultaat is werkelijk verbluffend. Verbeelden we het ons of is haar "speknek" echt een beetje geslonken, vragen ze zich af.

    Verder laten ze weten dat een natuur(genees)middel lange tijd nodig heeft om te gaan werken en dat continuïteit geboden is.

    Voor inlichtingen i.v.m. met de produkten : Jordens Hippo BV

    Tel : 026-482.11.44 (let wel : Nederland)

    Fax : 026-482.11.10

    (Wij hebben geen ervaring met deze produkten, en vertrouwen enkel op de ervaringen van vrienden-ezelhouders in Nederland. Consultatie van uw veearts voor het gebruik van deze produkten lijkt ons aangeraden)

    Opmerking :

    Natuurlijk geven wij de voorkeur aan het voorkomen van de problemen, door de ezel goed op te volgen en zijn voeding en dus ook de weide in het oog te houden. Heb je echt te veel gras, sluit dan een gedeelte af en maai het, of zet er een ezeltje(s) bij. Natuurlijk moet je dan wel rekeninghouden met de winter. Het is noodzakelijk het goede evenwicht te vinden tussen de tijd die u heeft om de ezels te verzorgen, de accommodatie, de grote van de weide (kwaliteit gras en weide in winter en zomer) en het aantal ezels dat u heeft. Wenst u geen uitbreiding van het aantal ezels, dan is waarschijnlijk de eenvoudigste oplossing het gedeeltelijk afspannen en/of maaien van de weide.

    En probeer de bijvoeding echt te beperken. Wat je in elk geval NOOIT mag doen is een ezel van de ene dag op de andere op dieet zetten. De afbouw moet traag en geleidelijk gaan, gespreid over vele maanden.

    Van Lierde Geert

     

  8. Tandheelkunde bij de ezel

    Tandpijn is iets heel vervelend. Wat nog erger is, onze ezeltjes kunnen het u niet zeggen. Daarom is een regelmatige control van de tanden noodzakelijk. Alhoewel het uitzonderlijk is dat er iets mis is met de tanden, is het toch niet onmogelijk. Vooral bij oudere ezels (+ 20 jaar) kunnen er problemen ontstaan. Door te sterke slijtage van de tanden, kunnen zij moeilijkheden krijgen bij het grazen.

    1. Het ontstaan van de paardentandheelkunde.

      De oorsprong van de tandheelkunde bij paarden is een duistere zaak. Ergens in de laatste 5000 jaar van de mensheid ontdekte men dat de ouderdom van een paard/ezel kan afgeleid worden van de kenmerken en veranderingen van zijn tanden. Maar wanneer de fokkers en eigenaars voor het eerst de link egden tussen prestatie en gebit en wanneer men met tandverzorging begon is een andere zaak.

      Het is daarbij zeer moeilijk te achterhalen omdat er weinig of geen bewijs bestaat hieromtrent. Het eerste geschreven bewijs hierover dateert van midden 1800.

      Naar het schijnt zou het tandverzorgen voor de zigeuners van die tijd een normale zaak geweest zijn. Later zou blijken dat het ook via hen is dat de tandheelkunde begin deze eeuw zijn rechtmatige aandacht kreeg in de VS Van daaruit zijn er dan ik boeken ontstaan en is men het ook in de praktijk gaan uitoefenen.

      Toen er in de vijftiger jaren meer en meer aan competitie werd gedaan zowel op gebied van dressuur en dumping als op de renbaan, kwam het beroep maar pas goed tot leven.

      En aangezien de enthousiaste en doordachte eigenaars van vandaag graag een beroep doen op de talenten van geneeskundigen, kan de paardentandarts zijn rechtmatige plaats opeisen naast specialisten zoals hoefsmeden en dierenartsen.

    2. Mond- en tandcontrole.

      Omdat het paard/de ezel een dier is dat de gewoontes volgt, is de evolutie van zijn tanden, een goed voorbeeld van zijn onvrijwillige karaktermoeilijkheden.

      Hoewel we af en toe exceptionele tandveranderingen tegenkomen, kunnen we toch een vaste lijn trekken in het tandheelkundig onderhoudsprogramma.

      En dat begint bij : Een regelmatige onderzoek/behandeling.

      Het kauw-procede is een zeer belangrijk punt in het verteringsproces, en te weinig eigenaars nemen de tijd of hebben de kennis een inspectie hieromtrent uit te voeren.

      Een onvoldoende tandverzorging zal hoe dan ook het voedingsbudget beïnvloeden, en rekening houdende met de hedendaagse prijzen is dit een extra reden tot bezorgdheid hieromtrent.

      Een andere reden (is misschien nog belangrijker) : problemen die zich voordoen tijdens het werk : slingeren met het hoofd, trekken op één of beide teugels, het onbestuurbaar zijn, het wegduwen van het bit met de tong, etc..., zijn meestal symptomen die verband houden met tandproblemen.

      De actie van het bit bezorgd het paard/de ezel pijn in de mond, meestal is dit het gevolg van te scherp tandranden, die insnijden in de kaak en/of tong. Voor dieren die soortgelijke problemen vertonen is het raadzaam een tandarts te raadplegen, die zal dan scherpe tandranden wegvijlen, zodat eventuele wonden kunnen helen en zodoende een betere concentratie/prestatie mogelijk wordt.

    3. Hoe ontdekken als we eigenaar zijn van de tandproblemen van ons paard of ezel ?

      Paarden / Ezels kunnen een raar gedragspatroon ontwikkelen in verhouding met tandproblemen en eigenaars die deze eigenaardigheden in verband kunnen brengen hiermee, staan waarschijnlijk garant voor een goede conditionele tand- en mondhygiëne.

    4. Zichtbare symptomen :

    1) Rare bewegingen tijdens het werk, leunen, trekken, onbestuurbaarheid, slingeren met het hoofd, etc... zijn eigenlijk geen redenen om veranderingen aan te brengen aan het hoofdstel (kopstuk), maar wel een indicatie om de tanden te inspecteren.

    2) We moeten ook regelmatig de voedingsgewoontes nakijken, kwijlen tijdens het eten, herhaaldelijk drinken tijdens het eten, gulzigheid, voedsel laten valen tijdens het kauwen en andere rare gewoontes staan meestal in relatie met tandproblemen.

    Wanneer deze problemen zich voordoen bij jonge dieren, heeft dit meestal, losgeduwde melk-maaltanden als oorzaak.

    Natuurlijk kan het probleem ook te zoeken zijn bij te scherpe randen man de maaltanden die dan insnijden in kaak of tong, en dit bij alle leeftijdsgroepen.

    3) De uitwerpselen van het dier kunnen ons ook veel vertellen over de tandconditie, dus wanneer we veelvuldig volledig graankorrels terugvinden in de faeces wijst dit niet op een onvoldoende vertering, maar wel de onvoldoende kauwmogelijkheid van het dier.

    4) Als laatste element in uw observatie moet u uitkijken naar slechte geuren uit de mond en neus van het dier. De geuren worden meestal veroorzaakt door fermentatie van het voedsel dat vastgeraakt onder diezelfde losduwdende melk-maaltanden. De tandarts zal deze wegnemen en de mond spoelen met warme zoutoplossingen.

    Een slechte geur uit de neus is een andere zaak. Dit kan het gevolg zijn van een sinus-infectie, veroorzaakt door het opwaartse groeien van de maaltandwortels tot in de sinusholtes. Gewone tandverzorging kan hier geen heling brengen en meestal is er dan ook een chirurgische ingreep nodig. Hier wordt dan een gat geboord of gekapt door de kaakbeenmassa, zodat de maaltand in kwestie naar beneden gedrukt kan worden.

    Van Buynder Geert

    Equidentist

    09/223.27.01

     

  9. Tetanos of klem

    Reeds jaren raad B.V.T.V.E. vzw zijn leden aan om hun ezels jaarlijks te laten inenten tegen griep en tetanos. Ik kan nu wel stellen dat bijna alle ezeltjes van onze leden deze inenting ook jaarlijks krijgen. Ja er zijn ezels die nooit een inenting gehad hebben, en die ook oud geworden zijn. Maar men moet deze inenting eerder zien als preventie, of als een soort verzekering. U moet weten dat de ezels heel resistent zijn en wanneer zij ziek lijken, over het algemeen de ziekte zo ver gevorderd is dat men te laat is. Bovendien zullen de kosten voor de behandeling van ziekte veel hoger oplopen dan preventie. Dus ontworming, inentingen en hoeven laten verzorgen, sparen zeker grotere kosten uit, bovendien zal uw ezeltje zich steeds in goede conditie bevinden. Om u nog maar eens te overtuigen volgt hierna een uiteenzetting van Mevr. A.C. Bander Dierenarts en bestuurslid van Stichting opvang ezels in Nederland.

     

    Bron : Balknoten september 1998, auteur A.C. Bander

    Wat een treurig verhaal over Balkie, die enkele weken na castratie aan tetanus stierf.

    Paarden en ezels zijn zeer gevoelig voor tetanus, honden en katten veel minder en de mens staat daar tussenin. (het is zeer nuttig zichzelf ook geregeld tegen tetanus te laten inenten als men vaak met mest en aarde enz. bezig is.)

    Helaas sterven er jaarlijks in ons land nog een beduidend aantal paarden en ezels, die niet voldoende beschermd zijn tegen deze infectie.

    De tetanusbacil -Clostridium tetani- geeft een giftige stof af, het tetanus toxine of toxoid, bovendien is hij een sporenvormer, dwz hij kan in een bepaalde vorm - het sporenstadium - zeer lang overleven, daar hij dan weinig gevoelig is voor uitwendige factoren, zoals hitte, desinfectiemiddelen enz. Daar hij goed gedijt in zuurstofarm milieu zijn vooral kleine diepe wonden berucht (vb een verwonding ontstaan na het trappen in een spijker, of door prikkeldraad).

    Behalve in mest en aarde komt hij ook voor op houtsplinters, roestige spijkers enz.

    Hoewel de tetanusbacil op zich gevoelig is voor penicilline is het toxine dat niet. Dus op het moment dat tetanus geconstateerd wordt, zal penicilline weinig of geen effect hebben, mogelijk zelfs averechts werken, doordat de bacil afsterft en daarbij nog meer toxinen vrijkomen.

    De veulenspuit die Balkie kort na de geboorte kreeg heeft niets met tetanus te maken, maar bevat serum tegen andere bacteriën (tenzij men speciaal om tetanusserum gevraagd heeft).

    Het serum dat Balkie bij de operatie kreeg werkt vrijwel direct, maar beschermt slechts korte tijd tegen tetanus, het geeft een zgn. passieve immuniteit.

    Daarnaast moet het dier door middel van inentingen een actieve immuniteit opbouwen, dat gebeurt door het toedienen van tetanus toxoïd.

    Bij iedere ezel of paard, die nooit eerder is ingeënt zijn 3 injecties nodig :

    - De eerste twee met een tussenruimte van 1 maand

    - De derde 6 maanden later

    Jonge dieren kunnen vanaf de leeftijd van 3 maanden ingeënt worden. Deze entingen zijn te combineren met die tegen influenza (één prik) en dienen jaarlijks 1 maal herhaald worden.

    (Bij iedere verwonding nog een inenting extra laten geven).

    Als de moeder volgens dit schema ingeënt is, krijgt het veulen de immuunstof voor de eerste maanden binnen via de biest. De tussentijden kunnen iets afwijken van dit schema, dat hangt af van het fabrikaat van de entstof (overleg met uw dierenarts).

    Afwijkingen in het opbouwen van immuniteit kunnen bij mens en dier voorkomen, maar zijn gelukkig uitzonderingen.

    De behandeling van tetanus is een zeer intensieve met een kleine kans op herstel. Behalve toediening van tetanusserum worden spierverslappers gebruikt. Voedsel kan via neussonde worden toegediend of via infuus, doch deze beide methoden kunnen ook krampen opwekken door stress.

    Zij de eerste 2 dagen geen krampaanvallen aanwezig, dan is de prognose iets gunstiger.

     

     

    RESULTAAT MEDEWERKING AAN NIEUW TIJDSCHRIFT :

    DE VEEARTS

    Bron : De Belgische Dierenarts

    Vaktijdschrift voor de dierenarts en zijn praktijk nr 6 december ‘96

    V.U. Wilfried Verniers, Begijnhoflaan 458, 9000 GENT

    Ontvangt uw veearts dit professionele tijdschrift niet, dan kan hij met de verantwoordelijke uitgever.

    OMTRENT DE EZEL

    De rol van de ezel in onze samenleving is de laatste vijftig jaar gevoelig veranderd. Eeuwenlang was hij de goedkope werkkracht die in ruil voor een schamel portie hooi zware lasten torste. Maar sinds de tweede wereldoorlog is het werkpaardje stilaan een luxepaardje geworden. Het dier dat ooit het paard van de arme boer genoemd werd, is n vooral te vinden op kinderboerderijen en in de tuinen van dierenliefhebbers en verzamelaars. Spijtig genoeg is die evolutie niet in alle opzichten even positief geweest. Verregaande overvoeding met alle gevolgen vandien is vandaag immers het voornaamste gezondheidsprobleem van de ezel.

    Dierenarts C.M. uit Lierde verdiept zich al jaren in de specifieke problematiek van de ezel. "Ezels zijn zeker geen zwakke dieren", weet hij. "Maar eigenlijk horen ze hier niet thuis in onze streken. De ezel die wij kennen, komt uit het Middellanse-Zeegebied, en zijn gestel is dan ook afgestemd op arme en rotsachtige gebieden. In verhouding heeft hij maar drievierde van het voedsel nodig dat een paard verbruikt."

    Als basisvoedsel van de ezel volstaat droogvoer, waarbij de hoeveelheid twee procent van het totale lichaamsgewicht bedraagt. Een ezel van honderdvijftig kilo mag men dus dagelijks drie kilo droogvoer geven, waarvan de helft stro en de helft hooi. In de winter kan men dit eventueel

    aanvullen met wortels en extra krachtvoer. Suikerbieten zijn af te raden.

    Helaas staan de meeste ezels op een veel te vetrijk dieet.

    "Op kinderboerderijen worden de dieren vaak vetgemest met brood, koekjes en aardappelen. Je ziet dan van die ezels die eigenlijk meer op kamelen lijken : ze vertonen grote vetkwabben op hun rug, nek en buik. Maar zelfs als het dier gewoon op een goedgemeste weide staat, zonder dat er sprake is van bijvoedering, zal het op den duur te zwaar worden. In principe zou je de ezel dan ook regelmatig op stal moeten houden om te voorkomen dat hij zich overeet."

    Meest voorkomende ziektes.

    Vetzucht leidt vroeg of laat tot ernstige gezondheidsproblemen. Een veelvoorkomende ziekte die duidelijk verband houdt met overgewicht, is hyperlipemie, waarbij het dier op korte tijd steeds slomer wordt, niet meer eet en uiteindelijk in coma geraakt. Daarnaast treden bij deze ziekte ook dyspnoe, uremie en aantasting van de lever en de nieren op. De mortaliteit bedraagt negentig to vijfennegentig procent.

    Een tweede probleem dat kan voortvloeien uit overgewicht is hoefbevangenheid of laminitis. Tengevolge van histamineachtige stoffen die vrijkomen in de hoef, gaat de ezelsvoet ontsteken, waardoor de hoef komt los te staan. In het ergste geval valt de hoef volledig af, zoniet krijgt de ezel pantoffelvoeten. Hierdoor kan het dier uiteindelijk verlamd geraken. Moraal van het verhaal is dat de ezel, net zoals het paard, regelmatig de hoefsmid op bezoek moet krijgen.

    Tenslotte kan een ezel ook last krijgen van buikpijn die zo acuut is dat ze tot de dood kan leiden. Dit komt vooral voor als het dier zonder geleidelijke gewenning op een andere weide gezet wordt, of als het van de ene op de andere aan een nieuw soort krachtvoedsel blootgesteld wordt. Net zoals bij het paard heeft de ezel immers een spijsverteringsstelsel dat zich maar geleidelijk aanpast aan nieuw voedsel. Een ander probleem dat niet samenhangt met overgewicht, maar dat wel typisch is voor de ezel, zijn longwormen die op hun beurt pneumonieën veroorzaken. Om die reden

    houdt men ezels best gescheiden van paarden. Zij zijn immers nog gevoeliger aan dit probleem en kunnen de longwormen gemakkelijk overkrijgen.

    Doordat de ezel een relatief lange vacht heeft, ontwikkelt hij in ons koude en vochtige klimaat ook gemakkelijk huidaandoeningen. Vandaar wordt hij vaak geplaagd door parasieten, luizen, vlooien, teken en schimmels.

    DIAGNOSTIEK

    Wat de diagnostiek betreft, volstaat meestal een klinisch onderzoek. Verdoving is daarbij doorgaans niet nodig, want in tegenstelling tot het paard is de ezel meestal vrij gemakkelijk in bedwang te houden. Om een nauwkeuriger beeld te krijgen van de ziekte kan men ook een bloedanalyse uitvoeren. Een prima hulpmiddel daarbij is de tabel die niet lang geleden ontwikkeld werd door het Engelse ezelscentrum uit Devon. Daarin werden een aantal hematologisch en biochemische parameters opgenomen (zie tabel).

    Ander diagnosemethoden zijn endoscopie van de luchtwegen en de maag, en radiografie. Aan de faculteit dierengeneeskunde in Merelbeke maakt men bovendien gebruik van de catscanner. Dit is een nieuw toestel dat een afdruk maakt aan de hand van elektromagnetische golven die door het lichaam van het dier gestuurd worden. Voorlopig is dit toestel echter nog niet doorgedrongen tot de praktijk van de dierenarts.

    BEHANDELING EN INENTINGEN

    Voor de medische behandeling van de ezel is men genoodzaakt om een beroep te doen op medicijnen uit de aarden geneeskunde, aangezien er geen produkten op de markt zijn die enkel voor de ezel zijn bestemd. Gelukkig is er tot dusver geen ezelsziekte bekend die specifieke medicatie vereist.

    Verplichte inentingen voor de ezel zijn er niet. Enkel bij transport naar het buitenland, -of strikt genomen naar de Ardennen -, is men wettelijk verplicht om het dier tegen hondsdolheid te vaccineren. Men doet er best aan om de ezel jaarlijks in te enten tegen tetanus en influenza.

    BELANG VAN DE PREVENTIEVE GENEESKUNDE

    C.M. beklemtoont dat een goed verzorgde ezel gemakkelijk twintig jaar kan worden zonder dat er medische problemen optreden. "Zoals vaak is ook hier de preventieve geneeskunde een stuk belangrijker dan de curatieve geneeskunde. Een ezel die over een arme weide en een droge huisvesting beschikt, die weinig of niet bijgevoederd wordt, en die ingeënt en tweemaandelijks wordt ontwormd, blijft gezond en heeft dus geen dure ingrepen nodig."

    Beter voorkomen dan genezen dus, want eens het kwaad geschied, is de weg terug vaak moeizaam. Zo mag een overvoede ezel maar bij mondjesmaat afvallen. Om het teveel aan lichaamsvet te verbranden, moet het dier worden onderworpen aan een zeer streng dieet en de nodige inspanningen. Hiervoor bestaan speciale programma’s. Eigenaars die op eigen houtje te werk gaan, dus zonder de nodige diergeneeskundige begeleiding, lopen het gevaar dat hun ezel aan zijn vermageringskuur ten onder gaat.

    Om dergelijke problemen te voorkomen wijst C.M. op het belang van een goede preventieve voorlichting. Ideaal zou zijn dat mensen die de aankoop van een ezel overwegen, vooraf contact zouden opnemen met de dierenarts. Die kan hen adviseren over de juiste voedings- en verzorgingswijze. Voor de aankoop kan hij hen doorverwijzen naar een rasvereniging die de toekomstige eigenaar op haar beurt in contact brengt met een geschikte fokkerij.

    EZELSSTAMBOEK

    Met het oog op het fokken van de dieren pleit C.M. ervoor om net als onze noorderburen een ezelsstamboek aan te leggen. "Een stamboek houdt in dat iedereen die wil, zijn of haar ezel laat registreren. Dit gebeurt met behulp van een elektronische chip die men onderhuids inplant en die men nadien kan aflezen met een handscanner. Op die manier beschikt men voor elke geregistreerde ezel over de nodige gegevens zoals leeftijd, afkomst enzovoort."

    Met behulp van zo’n systematische registratie zou men een overzicht bekomen van de in Vlaanderen voorkomende rassen. Daardoor zou men ook op een verantwoorde manier kunnen gaan fokken. Op dit moment gebeurt het kweken van ezels immers voor een groot stuk willekeurig.

    Zo is er in de loop van de eeuwen een allegaartje van mengrassen ontstaan dat we gemakshalve onder de algemene noemer "huisezel" plaatsen. De situatie beperkt zich overigens niet allen tot ons land. Op enkel schaarse uitzonderingen na zoals de langharige Poitou-ezel uit Zuid-Frankrijk, is de rasezel in Europa zo goed als uitgestorven.

    Een verantwoord kweekprogramma zou er niet alleen voor zorgen dat de uniformiteit van het ras beter bewaard blijft, maar zou ook voorkomen dat bepaalde genetische afwijkingen of ziektes worden doorgegeven.

    C.M. Ziet de toekomst positief in. "Doordat ezels vandaag geen werkdieren, maar recreatie- en gezelschapsdieren zijn geworden, hebben de eigenaars meer aandacht voor hun verzorging. Indien nodig stemmen ze zelfs toe in dure medische behandelingen. Bijgevolg wordt er ook in de diergeneeskundige wereld steeds meer aan research gedaan, zodat de behandelingen gevoelig verbeteren. Als we in België nu ook nog een stamboek zouden inrichten, zouden we ook over de genetische selectie een betere controle hebben. Dat zou een mooie vooruitgang zijn." (auteur Annick Deckers).

    Met dank aan de Belgische Vereniging Ter Verbetering van het Ezelsras (B.V.T.V.E. vzw), Tel/fax:054/41.85.25

    Hierna volgen nog tabellen met waarden voor de Ezel en de Jonge ezel, deze tabellen zijn gebaseerd op de ruime ervaring van The Donkey Sanctuary.

    Deze tabellen zijn niet overgenomen, daar ze alleen kunnen gebruikt worden door veeartsen of labo’s. Indien uw veearts er niet over beschikt kan hij het tijdschrift aanvragen op bovenstaand adres !

    Over het stamboek waar me van spreekt wil ik opmerken dat onze vereniging reeds gestart is met een registratie (op papier). Er zijn echter ook reeds zes hengsten elektronisch geïdentificeerd zoals in het artikel beschreven. Deze identificatie vond plaats in september 1994. Na drie jaar werden geen negatieve gevolgen gevonden van deze identificatie zodat zal overwogen worden door het bestuur van de papieren identificatie te vervangen door de elektronische identificatie. Zowel de voorzitter als ondervoorzitter zijn voorstander van deze identificatie die vele voordelen heeft, zo is deze identificatie uniek, niet schadelijk (in vergelijking met brandmerk hetzij op de bil of in de hoef, of een oormerk). Deze identificatiemethodes zijn verouderd en zeker niet esthetisch. Het is dan ook onze bedoeling een eventuele verplichtende maatregel zoals onlangs voor de schapen (oormerk) te voorkomen als verplichting door het ministerie van landbouw en de elektronische identificatie aan te bevelen. Zo’n identificatie is eenmalig, en de kost dus ook, die kostprijs ligt onder de duizend frank (ongeveer 800 fr.). De elektronische identificatie moet wel aangebracht worden door een veearts.

    Deze identificatie kan bovendien niet vervalst worden, men mag ook niet vergeten dat niet alleen paarden gestolen worden, maar wel eens ezels gestolen worden (zij het gelukkig nog vrij zeldzaam). Met die elektronische identificatie kan de eigenaar steeds bewijzen dat het wel degelijk zijn ezel is, wat met een ruwe schets (papieren identificatie) zeker niet het geval is.

    Het enige nadeel is dat de niet chips kunnen gekocht worden door de vzw, maar moeten aangekocht worden door een veearts. Hoe we dit in de praktijk zullen doen zal beslist worden op een bestuursvergadering, u hoort er beslist later meer over.